6. Opbouwen zonder inzicht

Gepubliceerd op 3 maart 2026 om 11:05

Beginfase

Na mijn tweede terugval kon ik bijna niets meer.
Dat was twee à drie maanden nadat ik was begonnen met werken.

Ik belde mijn manager, of hij belde mij. In ieder geval moest ik zeggen dat het echt niet goed ging. Alleen: ik had zelf nauwelijks inzicht in hoe slecht het ging.

Hoe vermoeider ik werd, hoe minder overzicht ik had.
En dus kon ik mijn grenzen ook niet goed aangeven.

Later leerde ik patronen herkennen voordat ik een terugval kreeg. Maar in het begin had ik daar geen enkel gevoel bij. Ik wist simpelweg niet wat slim was.

Twee uur

Het opbouwen begon met twee uur per dag.
Dat klinkt weinig. Maar ik kon ook heel weinig, dus eigenlijk was het heel veel. Want daarbij kwam een half uur heen en weer terugreizen plus afspraken met o.a. arboarts.

Douchen lukte soms maar één keer in de drie dagen.
Naar de keuken lopen voelde al ver. Dat was nog geen twintig meter.

Als ik buiten ging lopen, moest ik na 100 meter de landtarenpaal knuffelen omdat ik hoog in adem was en duizelig werd.

Koken was zwaar. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal qua veel handelingen.
Boodschappen bedenken. Snijden. Bereiden. Opruimen.

Dat ik überhaupt met het OV naar werk ging, was eigenlijk al een prestatie.

Ik werkte op locatie. Thuiswerken vond ik toen te ingewikkeld. Ik was nog niet goed ingewerkt. Dus vragen stellen ging makkelijker mondeling dan via email of bellen.

Maar zelfs bellen was zwaar. Vijf minuten praten en ik was buiten adem. Daarna kon ik de woorden niet meer uit mijn brein krijgen.

 

Uitgeput

Ik noemde het “moe”.
Maar moe bleek de lading niet te dekken. Andere mensen vonden zichzelf ook moe namelijk.

Ik was uitgeput. Want ik kon bijna niet meer nadenken, praten ging moeizaam, werd duizelig en was enorm snel overprikkeld, o.a.
Terugkijkend had ik blijkbaar van mijn lichaam de weken ervoor de batterij leeggetrokken. Zonder dat ik het doorhad, want ik was toen vrolijk, voelde me best goed en dacht dus ik dat het wel goed ging.

Op kantoor kon ik in het begin nog een grap maken. Maar het kwam uit mijn tenen. Soms werd ik draaierig. Soms moest ik een kast vasthouden om stabiel te blijven staan.

Bijna niemand had het door.

Ik wilde gewoon werken. Het werk vond ik leuk, met leuke collega's en net 2 maanden een nieuwe baan. Ik had geen behoefte om “de patiënt” te zijn.

Onzichtbaar

Wat ik lastig vond: het ging goed zolang ik niets deed.

Als ik ’s middags drie of vier uur sliep en ’s nachts tien uur, dan leek het alsof het prima ging. Dan kon ik de volgende dag weer wat doen.

Maar zodra ik net iets te veel deed, leverde ik weer fix in qua energie.

Dat was moeilijk uit te leggen aan anderen, vooral als ze het niet aan mij konden zien en niet herkenden.

Soms ging ik expres wat vermoeider naar werk, zodat mensen konden zien dat het niet vanzelf ging. Dat klinkt gek, maar anders leek het alsof ik gewoon prima meedraaide. Ik wist dat als mensen mij niet zouden begrijpen, omgang moeilijker zou worden, en reïntegreren nog lastiger zou worden.

Maar af en toe wilde ik zelf ook te hard, en ging ik onbedoeld over mijn grens heen. Waardoor ik dan weer moest inleveren.

Het was een dunne lijn waartussen ik probeerde te balanceren.

 

Gesprek met managers

In de eerste week had ik een gesprek met mijn manager en zijn leidinggevende.
Ik had het volledig voorbereid.

Ik wist dat ik het ter plekke niet goed kon verwoorden. Dus ik schreef alles uit wat ik wilde zeggen om hen mijn situatie te laten begrijpen en de antwoorden die ik verwachtte. Tijdens het gesprek las ik het letterlijk voor.

Dat werkte voor dat moment, maar vervolgens was ik vergeten te zeggen dat ik het volledig had voorbereid omdat ik mijn situatie anders niet had kunnen verwoorden. Mijn manager zei namelijk later dat ik dat had moeten zeggen.

Ook vroeg zijn leidinggevende in dat gesprek indirect of het niet om een burn-out ging. Ik snapte die gedachte en de overeenkomsten. Maar ik wist dat het post-covid was, door het verloop met corona, terugval en specifieke klachten die ik ervaarde. Dat ik het ervaarde, wilde niet zeggen dat ik het dan ook kon verwoorden op dat moment, zeker aangezien ik mijn ziekte zelf ook nog niet begreep.

 

Opbouwdruk

In de volgende maanden werd door mijn arbo-arts vooral gekeken naar hoe we uren konden opbouwen, volgens een schema. Ik voelde ik weinig ruimte voor kijken naar mijn situatie. Als het te veel werd, kon er iets af, maar niet genoeg.

Mijn fysio zei iets anders: eerst conditie opbouwen. Eerst marge in je batterij. Dan pas structureel werken.

Maar voor mijn arbo-arts stond werk duidelijk bovenaan.

Dat betekende dat de meeste energie van mijn week naar werk, wat met moeite lukte, en geen energie had voor sporten en sociale dingen. Dat hield ik een aantal maanden vol.

Mijn knieën gingen pijn doen omdat ik vermoeid liep en dus verkeerd mijn stappen zetten. Sociale activiteiten kon ik zeer beperkt doen, terwijl ik altijd energie daarvan kreeg. En op werk lag de focus op administratief werk omdat ik dat kon doen tijdens reïntegratie.  

Langzaam werd duidelijk dat dat tempo niet houdbaar was voor mij.

 

Reflectie

Wat ik toen miste, was inzicht.
Bij mezelf, maar ook in de omgeving.

Hoe slechter het ging, hoe minder goed ik kon aangeven wat ik nodig had. Dat maakt het ingewikkeld voor iedereen.

Te snel opbouwen kost uiteindelijk meer.

Dit was een leerfase. Pijnlijk, maar zeer leerzaam.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.